Een hele tour

door Bert Wagendorp - VARAgids, 30 juni 2012

 
 

Er zijn plekken die zijn gemaakt en ingericht voor één ding. Het is doorgaans onverstandig er andere activiteiten te ondernemen. De werkplaats van Sporthuis Hubert in Sint Willebrord is zo’n plek - zelfs nu hij niet meer in gebruik is omdat fietsenmaker Hubert van Hoydonck sinds bijna een jaar van zijn welverdiende pensioen geniet.
De werkplaats aan de Bremstraat bestaat uit twee gedeelten. In het ene zie je nog de haken waaraan Hubert de racefietsen hing. De wanden zijn bekleed met foto’s van renners, van wie de meesten hier ooit hebben staan wachten tot hun fiets klaar was. In de hoek staat een leren bank. Op één plek is een foto verwijderd, van een renner die is overleden - de foto stond ingelijst op zijn kist. Er mag van Hubert nooit meer een andere foto komen te hangen.
Het ruikt er nog naar olie, naar vet, naar rubber. Als je goed luistert hoor je nog de woorden van de koers, miljoenen woorden, woorden die mislukkingen moesten verklaren en woorden die zeges omlijstten. Woorden die de verhalen vormden waaraan het cyclisme zo rijk is. En de woorden van Hubert, voormalig coureur, mechanieker en onbezoldigd luisterend oor. 
Er hangt ook een kalender met mooie vrouwen met blote borsten, voor als de gesprekken even stokken. Annie, de vrouw van Hubert, vindt het maar niks, die kalender. Maar van Hubert moet hij blijven hangen. Mooie vrouwen horen nu eenmaal bij de koers.
In de andere ruimte ligt Huberts voorraad. Frames, banden, tandwielen, derailleurs, wielen en veel meer spullen, genoeg om nog tientallen racefietsen mee te kunnen opbouwen.

In november 2011 reden we met vijf mannen van Amsterdam naar Sint Willebrord. We wilden er voor Artsen Zonder Grenzen een cd met wielerliedjes opnemen – in ’t Heike, hét wielerdorp van Nederland, het oude smokkelaarsnest waar Wim van Est was geboren, en Woutje Wagtmans, Jacques Hanegraaf en nog een heel peloton andere coureurs.
En Rini Wagtmans natuurlijk. Rini, ooit vijfde in de Tour de France, meesterknecht van Eddy Merckx, wereldvermaard daler en geheid Tourwinnaar – als het niet had tegengezeten met zijn gezondheid.
We hadden contact opgenomen met Rini Wagtmans en die vond het meteen een heel erg goed idee, die cd in Sint Willebrord. Hij ging op zoek naar een ruimte. 
En toen fietste Frans Hagenaars, producer van Excelsior Records, op een dag dus door Sint Willebrord. Hij reed door de Bremstraat en hij zag dat de winkel en de werkplaats van Hubert van Hoydonck te koop stonden. En hij bedacht dat het mooi zou zijn om de cd dáár op te nemen, in de werkplaats van Sporthuis Hubert.
We hadden het toen nog niet in de gaten, maar eigenlijk was dat het eerste teken dat het hele project onder een gelukkig gesternte was geboren. Dat het een soort puzzel was en dat alle puzzelstukjes op een wonderlijke manier op de goeie plek vielen.

Op een feestje bij uitgeverij L.J. Veen aan de Herengracht in Amsterdam, januari 2011, hingen Nando Boers (journalist NUSport), Dirk Jan Roeleven (televisiemaker NTR en VPRO) en ik (columnist de Volkskrant) tegen een van de muren van de fraaie Engeltjeskamer. Wij nuttigden een lauwe pils en een koude bitterbal en bespraken de voor- en nadelen van het leven.
“Ik heb trouwens een idee,” zei Nando, toen het gesprek even stilviel.
Wij keken hem nieuwsgierig aan.
“Laten we een cd gaan maken,” zei Nando. “We hebben voor de Tour for Life van Artsen zonder Grenzen al een boek gemaakt. Nog een boek is saai. Dus het lijkt me leuker om nu een cd te maken. Met wielersongs.”
Tour for Life was de etappekoers van Italië naar Nederland, waarmee geld voor Artsen zonder Grenzen werd verdiend.
“Oké,” zeiden Dirk Jan en ik. “Dat is een heel goed plan. Hoe moet dat eigenlijk, een cd maken?” Hierop moest Nando het antwoord schuldig blijven, want hij had ook nog nooit een cd gemaakt. Hij dacht aan een studio, en dat artiesten die iets met wielrennen hadden daar dan een liedje zouden opnemen.
Dat klonk als een begin.
“We moeten er iemand bij vragen die verstand heeft van cd’s opnemen,” zei Dirk Jan Roeleven. “Anders wordt het niks.”
“Ik ken Ferry Roseboom van Excelsior,” zei ik stoer. “Oké, via twitter, maar zo gaat dat nu eenmaal tegenwoordig.”
De volgende dag stuurde ik Ferry Roseboom een direct mail. Of hij wel eens de neiging had gevoeld een wieler-cd te maken.
“Leuk idee,” twitterde Ferry terug. “Ik doe mee.” Ik mailde Nando en Dirk Jan dat Ferry meedeed. “Ongelooflijk,” mailde Nando terug. “We hebben een echte platenbaas.”
We vergaderden op het terras van café De Prins in de Jordaan. “We moeten er iemand bij hebben die verstand heeft van liedjes maken,” zei Ferry. “Iemand die zangers kent en zo. Die erbij is tijdens de opnames. En hij moet ook nog iets met de koers hebben.” Wij keken hem wanhopig aan. Zo iemand bestond vast niet.
“We moeten JW Roy vragen,” zei Ferry. “Die kan dat allemaal.”
JW Roy trad dat weekeinde toevallig op in de Watergraafsmeer, en Nando ging erheen om hem te vragen.
“JW Roy is een aardige kerel en hij was meteen razend enthousiast,” mailde Nando na de missie. “Hij doet het. Jezus man, we hebben de beste singer-songwriter van Nederland erbij.”
De volgende vergadering zei Ferry dat zijn Excelsiormaatjes Jeroen Kleijn en Frans Hagenaars ook meededen. Jeroen ging de hele boel organisatorisch begeleiden en Frans ging de cd produceren. JW had al een band in gedachten, voor de begeleiding: Reyer Zwart op contrabas, Cok van Vuuren op gitaar, Roel Spanjers op toetsen en Jeroen Kleijn op drums. Een band met topmuzikanten, zei JW.
Ferry zei dat een cd maken geld kostte, ook al deed iedereen voor niks mee. Dat was een kleine tegenvaller. Nando zei dat hij de Nederlandse wielerploegen ging vragen om geld. Gelukkig waren er drie ploegen, Rabobank, Vacansoleil en Argos-Shimano. Binnen de kortste keren had hij het benodigde geld bij elkaar. “De wielerwereld is heus niet zo slecht als men soms beweert,” zei iemand.
We vroegen aan de begaafde vormgever Robert van Noort aka Pankra of hij voor niks de vormgeving van de cd wilde doen. “Dat is goed,” zei hij.
“Waar gaan we hem eigenlijk opnemen,” vroeg iemand toen we weer zaten te vergaderen, ditmaal in het Tolhuis aan het IJ in Amsterdam-Noord.

En nu waren we dus op weg naar Sint Willebrord. Om te praten met Rini Wagtmans en om te gaan kijken of het zou kunnen, in de werkplaats van Hubert. Of de ruimte zichzelf zou kunnen heruitvinden en zou kunnen transformeren in iets anders: een opnamestudio.
Het was niet ver lopen van Rini’s huis naar de winkel van Hubert. We liepen de poort binnen, naar het binnenplaatsje tussen de werkplaats en het woonhuis. Hubert en zijn vrouw Annie zaten binnen, in de eetkeuken. Hubert wist waarvoor we kwamen. Hij stond op en zei: “Laten we maar eens kijken dan.”
We liepen achter hem aan de werkplaats binnen. De seconde dat hij over de drempel stapte wist ieder van ons dat het hier moest gebeuren. We kwamen binnen in de enige ruimte waar onze cd opgenomen kon worden. Hubert opende de dubbele deur naar het magazijn. Je zag hem twijfelen: hij wist nog niet helemaal zeker of hij had te maken een serieus plan, of met een paar fantasten die hem verschrikkelijk in de maling namen. 
Frans Hagenaars maakte geluiden. Hij testte vermoedelijk de akoestiek of zoiets. Ik keek naar hem. Hij mocht nu niet gaan zeggen dat het niet kon. Want het moest hier. 
“Perfect,” zei Frans. Hij verschoof in gedachten voorraden en frames, om ruimte te maken voor het drumstel, voor de contrabas, de gitaar en de toetsen – en voor zijn eigen opnameapparatuur, niet te vergeten. “Kan allemaal net,” zei hij. “Het wordt krap, maar het kan.”
“Schitterend,” zei singer-songwriter JW Roy, die zelf nog wielrenner was geweest. “Het wordt Exile on Main Street.” JW zou de muzikale leiding op zich nemen, zangers gaan benaderen en liedjes gaan schrijven. 
“Heel mooi,” zei Jeroen Kleijn van Excelsior Records, die behalve in drummen ook goed is in organiseren. Hij vroeg of Rini Wagtmans de buren kon waarschuwen, want het kon soms een knappe hoop herrie opleveren, zo’n cd-opname. “Geen punt,” zei Rini. In Sint Willebrord hielden ze van de koers, en dus ook van liedjes over de koers, zelfs harde.
Nando Boers keek naar Hubert van Hoydonck. “Blijft het de komende maanden zo,” vroeg hij. ‘We willen graag dat het precies zo blijft zoals het nu is. Lukt dat?’
“Dat lukt,” zei Hubert van Hoydonck. Het liep de laatste tijd niet storm met de verkoop van fietsenwinkels en werkplaatsen. 
Hubert opende een deur naar een andere opslagruimte, boven op zolder. We kregen allemaal een hoes voor wielerschoentjes. Het was bezegeld, het ging gebeuren. Hier.

Vier maanden later waren we terug. Op de stoep voor de winkel stond de wielerbus van Jack van Oers – en Jack, wielerafficionado pur sang, stond ernaast. Binnen een dag was het magazijn omgetoverd in een opnamestudio – met behoud van alle kenmerken van de mooiste wielerwerkplaats van Nederland. 
We waren klaar om te beginnen met De Sint Willebrord Sessies Vol. I: Sporthuis Hubert
In de keuken zette Annie van Hoydonck haar eerste van honderd potten koffie, in de bus warmde Jack het vet op voor zijn specialiteit: nasi met gefrituurde kippenpoten. In het magazijn stemde Cok van Vuuren zijn gitaren en Reyer Zwart zijn contrabas. Roel Spanjers had zijn piano en hammond orgel opgesteld en Jeroen Kleijn had uitgevogeld langs welke weg hij áchter het drumstel kon kruipen. Helemaal achterin stond Frans Hagenaars’ wondermachine, met een wirwar van kabels verbonden met alles waarmee hij verbonden moest zijn. 
Jasper ten Berge liep er ook al rond, met een camera op zijn nek. Dirk Jan Roeleven vond dat het hele project gefilmd moest worden en dat we er een documentaire van gingen maken. Hij had Jasper gevraagd. “Want dat is een groot talent,” zei hij. Jasper had weer vrienden vraagd om hem te assisteren, want alles werd dubbel opgenomen en je moest ook aan het geluid denken.
Het werd vol in Sporthuis Hubert. 
JW Roy checkte nog één keer het schema van de artiesten die zouden langskomen. Veertien liedjes in acht dagen: het moest kunnen, zei hij. Hij had al veel voorbereidend werk gedaan, hij had in zijn hoofd hoe het moest gaan klinken. Het ging gewoon lukken. Maar dan mocht er niet al te veel misgaan. Of eigenlijk niks. Want het was het krapste schema in de historie van de muziekindustrie. 
Wat er daarna gebeurde, die twee weken, is moeilijk te beschrijven. Ik was nog nooit getuige geweest van de opname van een cd – laat staan de opname van een cd in een fietsenwerkplaats. Elke keer dat er weer een liedje klaar was, was ik ontroerd. Ik weet niet precies waarom, ik ben gewoonlijk niet erg sentimenteel. Het had met de sfeer te maken. Ik wil niet zeggen dat die magisch was, maar het scheelde toch niet veel. Het had misschien te maken met de passie en de lol waarmee iedereen werkte. 
Het had, laat ik het maar ronduit zeggen, te maken met liefde. Voor de koers en voor muziek.
Ik zag ze veranderen op het moment dat ze de werkplaats van Hubert betraden: Peter Winnen, Rick de Leeuw, Alex Roeka, Ivo Victoria, Gerard van Maasakkers, Frank Lammers. Ze keken om zich heen, liepen langs de wielerfoto’s en wezen naar hun oude helden. En ze dachten precies hetzelfde als wij hadden gedacht toen we voor de eerste keer in dit wielerheiligdom binnenkwamen: het moet hier, het is logisch dat het hier is, elke gedachte dat deze cd ook ergens anders opgenomen had kunnen worden berustte op een tragisch misverstand.
Het was alsof je het kon horen aan de stemmen van Freek de Jonge, Ferry Heijne, Guus Meeuwis, Sam Valkenborgh, Guido Belcanto, Joost Prinsen en JW Roy zelf: dat alles hier in elkaar viel, dat de mannen op de foto’s meeluisterden, dat klanken zich vermengden met de stemmen uit het verleden, dat wielersages zich nestelden in de melodieën, dat de rock ’n roll van de koers, waar iedereen het altijd over had, hier eindelijk in muziek werd gevangen; in de jankende gitaar van Cok, de melancholieke trekzak van Roel, de ritmes van Jeroen of de melodieuze contrabas van Reyer – die soms even de wielen boven zijn hoofd toucheerde voor een special effect.
Het was een roes, een schitterende achtdaagse etappekoers door het wonderlijke landschap van het cyclisme en de muziek. Er ging niets mis – er ging alleen maar van alles heel erg goed, beter dan we ooit hadden kunnen vermoeden.
De avond waarop we Kampioenen opnamen, toen fanfare De Eendracht de binnenplaats opmarcheerde en de werkplaats zich vulde met echte wielerkampioenen en met levende verhalen uit de koers – dichter bij de rijke wielercultuur kon je niet komen.
Op de laatste donderdag namen we A Capella op, met Ferry Heijne en de jongens van De Kift. Toen het nummer erop stond, keken we elkaar aan. Het was voorbij. 
“Dit waren de twee leukste weken die ik in de muziek ooit heb meegemaakt,” zei Reyer Zwart.
“Laten we het met z’n allen kopen hier,” zei Cok.
We gaven Hubert en Annie een hand.
Niemand wilde naar huis.