Als alles samenkomt

door John Schoorl - De Muur, juni 2012

Als je hem ziet, heb je niet eens tijd om ’m te bekijken. Je moet eerst in de gaten hebben dat hij het echt is. En als je dat begrijpt, dan is alles wat je dacht er niet meer als hij fietst.
Je ziet fiere fietskuiten, geschoren fietskuiten, maar je denkt bij JW Roy aan Willie Nelson, Townes Van Zandt en Guy Clark. Het betere gejank uit het mannenbinnenste, stof in het gezicht, het zonlicht in een gevuld whiskeyglas en niet-roken is als niet ademen. 
Je hart uitstorten, in grote brokken, begeleid door een gitaar die je enige vriend is , en daar nooit meer mee ophouden - er mag een grote cactus bij om je gezelschap te houden.
Dat heb je dan zo in je hoofd, en dan heeft hij daar ook nog een Brabantse variant van gemaakt, met veel melancholie, lege wegen, onbeslapen kussens, armetierige gaten in het geheugen, droevige winden, liefde voor altijd en voor even en met tranen in je ogen naar de ruitenwissers staren.
Ga dan maar fietsen met zo’n gast, zo’n JW Roy, zo’n doorgewinterde muzikant, zo’n gast die de Sint Willebrord Sessies van voor naar achter heeft begeleid in Sporthuis Hubert.
Zou dat wat zijn – je riskeert het ritme van een oude koets langs de Acht Zaligheden.
Vergeet het maar, er komt een matje onder helm vandaan, en daarmee slaat hij zijn achtervolger mee in het gezicht. Benen als op hol geslagen ja-knikkers, een tong die niet bang is voor een beetje tempo en onophoudelijk gesnuif om de neusholtes vrij te houden, wat er ook uit mag slingeren.
JW Roy houdt dus van pittig doorfietsen, op zijn Stevens Aspin, matzwart.
JW Roy houdt van kasseien omdat ze voelen als een fijne massage.
JW Roy houdt van cadans, van ritme op de fiets dat ook het ritme van
een liedje kan worden.

Het beentempo van Armstrong – 90/110/120 - dat kunnen ook beats per minuut worden. Toen hij voor de Sint Willebrord Sessies-cd de tekst van Tim Krabbé op muziek moest zetten, dacht hij aan 80/90. Dus dan hoor je die zin uit De Renner: Niet-wielrenners - de leegheid van die levens schokt me. En dan neemt het ritme het over, en dat kan zomaar het ritme zijn van Tim zelf, als fietser. Want die Tim daar fietst hij weleens mee, die doet ook weleens mee met de Windjammers, zijn fietsploegie, en dan geeft ie bij elke bocht gas, hij wil altijd winnen, die Tim.
Als JW Roy fietst, en hij heeft zijn ritme, dan pakt ie soms zijn dictafoon. Is er opeens een flard tekst. Is er een begin van een melodie. Fietst ie gewoon weer verder - en werkt hij het thuis uit, of niet, flikkert hij het weg. Want het kan ook niks zijn, of alleen een aanzet, maar er gebeurt wat, daar gaat het om.
Dat doet fietsen met hem: zijn geest gaat aan het werk. 
Er zijn zomaar oplossingen, en worden slechte dingen goed gemaakt.

Wat een eikel eigenlijk, dat hij twintig jaar niet heeft gefietst. Van zijn negentiende tot zijn negenendertigste was het roken, zuipen en niet bewegen. Dus ook niet: denken tegen de wind in, om door het denken de wind mee te krijgen.
Wat hij miste, wist hij na één keer weer, raar hé dat het zo moet lopen. En nu op zijn 43ste heeft hij in het voorjaar er al tweeduizend kilometer uitgeknald en heeft hij zich laten masseren door de kasseien van Vlaanderen – in acht uur en vijftien minuten hé, de Ronde van Vlaanderen. Op het eind was het net koersen, gaven die Vlaamse vrienden hem zijn vet, en moest ie aan de bak.
Dat kan ie ook goed, de beuk erin gooien. Dat kon ie vroeger ook al goed, als broekie in Brabant. Zijn vader had gekoerst, zijn broer ging koersen en trouwens, zijn opa had ook gekoerst.
TWC Tempo uit Veldhoven – hij hoefde alleen maar te schuiven. Vader en moeder Roy mee met de Honda Accord, fietsrek op het dak, vier fietsen, voor elke zoon twee. En als het gedaan was, haalde moeder Roy een washand uit haar tupperwarebakje en boende ze het zweet weg.
Het was fietsen en vlees, bij de familie Roy, en al generaties lang. JW Roy werd ook een fietser en een slager, in Knegsel. Specialiteit: verse worst. Als toppunt van modern vleesconsumentisme introduceerde hij in het dorp de sparerib.
Commentaar vader Roy: ‘Doe mij maar grote stukken vlees en geen gelul.’
Laatst kwam er na een concert een achterneef uit Stipthout naar hem toe. Ook een Roy, ook een slager. Zal ook wel een fiets in de schuur hebben staan.
Rwa, zo heet hij dus, en niet Roy van Roy Rogers, de jodelende cowboy. Rwa, op zijn Frans, want hij stamt af van Portugese Joden uit de buurt van Reims. Rwa is helemaal geen rock ’n- roll-naam. Dus is het Roy van Roy Rogers, die een paard had dat Trigger heette, en dat is ook weer de bijnaam van de gitaar van Willie Nelson.
Fijn is dat, als alles samen komt.

Hij was een makkelijke fietser. Redelijk goed, en veel op courage. In het wiel rijden, en dan kijken wat er gebeurt. Beetje loeren: wie is goed vandaag, wie heeft goede benen. Sluw, dat is een woord dat bij hem past, als fietser.
Als je niet weet hoe je moet rijden, kun je wel afstappen. Hou alles in de gaten. Er gaat iemand op kop, maar zonder goede benen. Er gaat niemand op kop, zonder goede benen. Er is iemand met goede benen die niet laat zien dat ie goede benen heeft, die zijn goeie benen voor zichzelf houdt.
Het is allemaal te lezen, zegt JW Roy. Hij kon goed de koers lezen.
De Ronde van Best – eerste.
De Ronde van Eindhoven- eerste.
De Ronde van Duizel – negende.
De Ronde van Steensel – vierde.
Daar maakte hij zelfs een nummer over: Hij maakte er zelfs een nummer over: 
Een jongen uit Knegsel wint de Ronde van Steensel 
Hij reed de stenen haast uit de grond 
Een jongen uit Knegsel wint de Ronde van Steensel 
Had de beste benen van het hele peloton
Nog twee ronden toen de hongerklop begon 
Hij werd ingelopen, een vierde plek, die telt hier nie 
Anthony Theus wordt 1, de tweeling van Burgmans uit Bergeijk 2 en 3
Erger kon nie, was niet mogelijk 
Op een bruine boterham met appelstroop na 
Hadden ze kunnen, konden ze schrijven

Je kan wel een klein ventje zijn, en dat was wat hij was, maar je moet wel als een grote vent koersen. Die knakker die hem de koers uit wou knallen en hem zomaar een zwieperd verkocht, die moest hij terug pakken. Zou hij hem niet terugpakken, dan was er niks meer over van Jan Willen Roy, de beginnende fietser.
Het was in de Ronde van Overloon, en een knakker gaf hem een knal op zijn helm. Of hij tot tien heeft geteld, dat weet hij niet meer, maar dat kleine ventje zocht ’m op, die knakker, en gaf ’m een duw terug. 
Bam! 
Er is één kwestie die hem nog weleens door het hoofd gaat, een akkefietje tijdens de Ronde van Knegsel, zijn eigen dorp. Hij had geen goeie benen, die dag, en reed samen met een gozer achter de weggereden koploper aan. Als ik in je wiel mag blijven, dan mag jij tweede worden, had JW hem gezegd. En toen kwam de laatste bocht, en die gozer kon zijn stuur niet recht houden, en hij vloog uit de bocht.
JW reed door. 
Werd JW tweede.
Was niet helemaal zuiver.
Vader van die gozer woedend.
Lullig, maar wat moet je dan: remmen soms.
Wat hij ook wel was, was een dramatische rijder. Zo’n mannetje dat heerlijk vond als er veel publiek was, als er familie aan de kant stond, en het volk hem hartstochtelijk toejuichte. Geur van de friettent, flarden muziek, geschreeuw, kindergejoel en dan je naam horen. Daar werd je vederlicht van, klaar om op te stijgen.
Dat heeft hij nog steeds, maar dan als muzikant. Dat je een lekkere volle zaal binnenkomt, dat het meezit, en iedereen het in de gaten heeft, en de pannen van het dak worden gespeeld.
Dat je echt samen bent, en alles samen komt.
Nog een overeenkomst tussen de fietser JW en de muzikant JW: nooit een vaste kleedkamer. Of: altijd onderweg, alleen niet in een Honda Accord met fietsrek op het dak. 
Wat je ook niet moet vergeten, dat het allemaal in de kop zit. Mentaal kun je een optreden beter maken, en een koers.
Ho, even gas terug. JW ziet een stelletje cricketers in de zon, aan de voet van het Kopje van Bloemendaal. Hij houdt van pittig doorknallen, maar de mooie kleine dingen mogen niet ongezien blijven. 
En weg is ie. Helemaal weg. Alsof ie eigenlijk niet heeft mee gefietst.
Op de Zandvoortse boulevard ziet hij de zee, en zit stil. Hij ziet veel ploegies voorbij fietsen, en kan zijn ogen er niet van afhouden. Om hem heen op het terras ook ploegies, elkaar overtreffend in sterke verhalen. Overal fietsen tegen hekken.

Er was een vriend die hield een spreekbeurt met een gitaar in de klas, en dat veranderde alles. Hij moet een jaar of veertien zijn geweest. Zijn fietsdrang kwam onder druk te staan, er was nog iets, wat misschien wel beter was. Hij zag op Top Pop The Babys zingen, Everytime I think of you. Die zanger had van dat mooie sluike haar, en een oorbel in, en wat een verdomd mooi liedje.
Vrij snel daarna: André Hazes. Ja helemaal Hazes, honderd keer draaide hij zijn liveplaat, hoorde hij het drama van de smartlap, de melancholie, het timbre van de naderende ondergang.
Gooi dat allemaal in een bak: die vriend met gitaar, The Babys en Hazes, en je hebt een ander vooruitzicht.
Weg vlees, weg fiets. Geen slager, geen renner. Het werd bier drinken, roken en gitaar spelen.
Zag Johnny Cash twee keer optreden, waaronder in een punktent in Austin. 
Brulde mee met de langharige countryster Travis Tritt in Nashville.
Zwijmelde met Guy Clark over desperado’s die moeten wachten op een trein.
Werd een Brabants Americana-type, die in het Nederlands ging schrijven, en nog steeds Guus Meeuwis muzikaal en tekstueel voltankt.

Hij zat in St. Willibrord, in de ouwe racefietswerkplaats van Hubert van Hoydonk, en er waren fantastische muzieksessies, en het was het voorjaar van 2012. Er liepen wielerkampioenen naar binnen, muzieklegendes, volleerde grappenmakers, vader Roy en hij zat samen met Frans Hagenaars aan de knoppen.
Hij was klaar voor de dag, en ging eten in de oude stadsbus die voor de deur stond bij Hubert. Vlees at hij, eieren ook, nasi misschien maar het kan ook bami zijn geweest, allemaal van Jack van Oers.
Hij stapte in zijn auto, en reed naar hotel-restaurant Huis ten Bosch in Etten-Leur. Nog één avond had hij om de muziek bij het gedicht van Rick de Leeuw over de dood van Wouter Weylandt te maken. 
Dat gedicht, dat moest op de plaat.
Hij zag de eerste regels: Toen het leven plots vol in de remmen kneep, waar dacht je aan, je eerste fiets de eerste sprint, je eerste bloemen winnen en verliezen, schoot het in een flits aan je voorbij of was er meer – en moest eerst het ritme uit de dag halen.
Aan de overkant van het hotel klonk de kerkklok en hij had zijn gitaar goed vast. Hij dacht aan een vlag die omhoog ging, aan een gedempte cadans en een hartslag van een renner. 
27 seconden alleen muziek.
Dan de stem van Rick. Gitaar, bas, drums – en natuurlijk dat orgel.
Op 1.58 moet het gospel worden, snelle gitaar.
Het tempo terug.
De mooiste dromen blijven leven 
juist omdat ze dromen zijn.
Uitloop, zonder Rick.
In de hotelkamer in Etten-Leur werd het stil. JW had het in een uurtje gedaan. Het nummer had een vorm, gemaakt met de hand op het hart, en met een slot waar alle gevoelens op magistrale wijze samen kwamen.
Muziek, woorden en fietsen in één, ook nog vlees. Want de hand, waarvan de duim werd beschadigd tijdens het uitbenen van een schouderkarbonade, had de cadans bepaald.
Hij stuurde het naar Rick per iPhone - Rick heelheelheelheel blij.
In café Juup Stapel in Etten-Leur dronk hij een Duvel, te horen was Ace of Spades, een nummer van Motörhead. JW Roy was heel erg gelukkig. 
Alles was samen gekomen. 
Op het terras aan de Zandvoortse boulevard zouden nu alle fietsers oorverdovend hard moeten klappen.